Lezing: De Honingbij in gevaar

Tekst van Sophieke Nijhuis-Bouma, lid KNNVm – 26 april 2012.
Voor zo’n  20 aanwezigen hield Aat Rietveld, vice-voorzitter van de Nederlandse Bijenhoudersvereniging (NBV),  een lezing over honingbijen en hun bedreigingen. Het was de 2e lezing die de bibliotheek Zeist en de lokale natuur- en milieuorganisaties hadden georganiseerd in het kader van “Het landelijke jaar van de Bij”. Aat begon z’n lezing met te benadrukken dat bijen onmisbaar zijn in onze voedselvoorziening. Ongeveer 76% van de consumptiegewassen is afhankelijk van de insectenbestuiving. Daarbij gaat het om 35% van onze voedselproductie. Bijen nemen zo’n 15% van de bestuiving van vruchtgewassen voor hun rekening. Daarnaast spelen zij ook een rol bij de zaadteelt voor de volgende teelt. De terugloop van bijenvolken is dus een potentieel voedselprobleem. Zo is fruitteelt zonder bijen niet mogelijk.

Belangrijke bedreigingen voor honingbijen zijn de varroamijt (Varroa destructor) en het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen.

De varroamijt op zich is niet de boosdoener, maar wel het virus dat hij bij zich draagt. Dat tast de vleugels aan. de varroamijt kon vroeger alleen met chemische middelen worden bestreden, maar nu zijn er ook biologische middelen zoals thymovar beschikbaar.  Dit is een middel op basis van thijmolie dat eind juli wordt toegepast. Volledige uitroeiing van de varroamijt is niet mogelijk, maar wel kan de populatie onder een kritische drempel worden gehouden. Zo heeft de mijt een voorkeur voor darrenbroed (broedcellen waaruit de darren zullen komen), dus dat broed weghalen helpt ook om het aantal mijten lager te houden. Verder helpt een suikeroplossing met 3% oxaalzuur en toegepast in december.

Schade door gewasbeschermingsmiddelen en de verwaaiing ervan treft vooral de vliegbijen. Daarnaast hebben de huidige gewasbeschermingsmiddelen een hogere effectiviteit: het zijn veel sterkere middelen, waardoor de schade bij contact met het middel groter is. Deze middelen worden wel aangeduid als neonicotinen met imidacloprid als grootste bedreiging.  Akkerranden als bron van biologische bestrijding (lieveheersbeestjes etc.) zijn dan ook alleszins bijvriendelijk.

Bijensterfte kan ook het gevolg zijn van bijenziekten met als oorzaken een slechte ratenhygiëne zoals donkere raten met bacteriën, gebrek aan nectar als brandstofbron en/of gevarieerd stuifmeel (eiwitbron). Ook nadelig zijn een standplaats van de bijenkasten zonder zon en/of winderig en een ongunstig weersverloop met late temperaturen en/of veel neerslag. Een bijensterfte in de winter van 10% is normaal. Afgelopen winter was die 20%, wat o.a. werd veroorzaakt door een verkeerde suikerleverantie voor het bijvoeren in de winter.

Variatie in stuifmeel is nodig voor een goede broedzorg voor het ei en de larve. Een bijenvolk heeft daarbij per jaar 35 kg gevarieerd stuifmeel nodig. Is de broedzorg slecht, dan zijn de jonge bijen niet vitaal en gaat het volk in een slechte conditie de winter in. Bolgewassen in het voorjaar leveren erg veel stuifmeel. Evenals Phacelia dat ook wel wordt aangeduid met de naam bijenvoer.
De cyclus van bijen is die zoals bij bij alle insecten en kent vier stadia: ei, larve, pop en imago (in dit geval de bij). De koningin legt de eitjes; dat zijn er wel zo’n 1500-2000 per dag. Uit het ei ontwikkelt zich  in 3 dagen een larve die na 6 dagen in rustfase gaat, waarbij de broedcel wordt afgedekt  (gesloten broed).  Na 12 dagen rust wordt het deksel opengebroken door de nieuwe bij en komt de volwassen werkster tevoorschijn. De duur van de hele cyclus is dus 21 dagen. Bij de koningin duurt de cyclus 5 dagen langer en bij de darren 3 dagen korter.

Naast honingbij zijn ook hommels en wilde bijen bestuivende insecten. Tussen deze drie groepen zijn er duidelijke verschillen. Zo steken hommels en wilde bijen niet en leven ze solitair, d.w.z. niet als volk. Bij hommels en ook wespen overwintert alleen de koningin. Wespen spelen overigens in de bestuiving geen rol. Een opvallend verschil tussen honingbijen en wilde bijen is de plantkeuze. Honingbijen zijn generalisten en vliegen op zeer veel verschillende gewassen terwijl wilde bijen vaak maar op één of enkele plantensoorten vliegen.

Als slot gaf Aart nog aan dat via www.bijenhouders.nl een brochure te downloaden is over biodiversiteit in tuin en plantsoen. Hierin staan tabellen met bomen, heesters, klimplanten, vaste planten en dwergheesters, water- en oeverplanten die de belangrijkste drachtplanten zijn voor bijen, vlinders en hommels. In een andere tabel is aangegeven welke bomen en struiken belangrijk zijn voor vogels en kleine zoogdieren. Het kan daarbij gaan om de bessen en zaden, maar ook om een schuil- of nestplaats.

Al met al was het weer een boeiende lezing!  

« terug naar het overzicht