Lezing De Heuvelrug door vlinderogen


Dialezing De Heuvelrug door vlinderogen.
Zon 40 mensen waren ondanks de regen naar de bibliotheek in Zeist gekomen voor de lezing van Kars Veling van De Vlinderstichting. Het was de eerste lezing in het kader van een serie van twee met als thema 'Natuur in de buurt' die de Idea Bibliotheek Zeist in 2014 organiseert in samenwerking met de lokale natuur- en milieuorganisaties Stichting Milieuzorg Zeist, IVN, KNNV en het team NDC van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Als intro op zijn enthousiaste verhaal met daarbij fraaie dias, meldde Kars dat hij dit jaar tijdens het warme weekend van 8 en 9 maart een kleine driehonderd dagvlinders had gezien. Zo zag hij kleine vos op klein hoefblad en citroenvlinder op maagdenpalm. Zou 2014 net zon topjaar voor vlinders worden als 2013?

Voedsel
In zijn lezing maakte Kars ons deelgenoot van allerlei wetenswaardigheden over vlinders. Hij begon met de eisen van vlinders: wat hebben ze nodig om te kunnen (over)leven? Voor de rupsen is dat voedsel in de vorm van waardplanten en voor volwassen vlinders zijn dat nectarplanten. Die waardplanten zijn soortspecifiek, wat wil zeggen dat de rupsen van een vlindersoort leven op n of enkele plantensoorten. Wel hebben rupsen van verschillende vlindersoorten soms dezelfde plantensoort als waard. Brandnetel is daarvan een voorbeeld: op deze plant komen rupsen van kleine vos, dagpauwoog, atalanta, gehakkelde aurelia, landkaartje en distelvlinder voor. Deze laatste soort heeft zoals de naam al doet vermoeden ook distels als waardplant, maar ook op asters en kaasjeskruidachtigen kunnen rupsen van de distelvlinder zitten. Ook de gehakkelde aurelia heeft verschillende waardplanten: naast brandnetel zijn dat hop, iep, wilg, kruisbes en aalbes. De brandnetel dankt zn populariteit als waardplant aan het feit dat het een eiwitrijke plant is. Daarnaast is het een alles behalve zeldzame plant en de vlindersoorten die de brandnetel als waardplant hebben, gaan dan ook niet in aantal achteruit. Volwassen vlinders hebben geen kaken waarmee ze blad kunnen vreten, zoals we dat van rupsen kennen. Ze zijn aangewezen op vloeibaar voedsel en daarvoor zijn nectarplanten nodig. Daaruit halen ze de energie die nodig is om te kunnen vliegen en zich te kunnen voortplanten. Voorbeelden van nectarplanten zijn klein hoefblad, wilg, sleedoorn, sneeuwbal, vlinderstruik, koninginnekruid, kamperfoelie, lavendel, slangenkruid, duizendblad, hemelsleutel, dopheide, herfstaster en klimop. Rot fruit is vooral een voedingsbron voor nachtvlinders. Door de aanwezigheid van nectarplanten wordt de tuin een soort kroeg voor vlinders. Kars hield een warm pleidooi om vooral een vuilboom in de tuin te planten: enerzijds als waardplant voor de citroenvlinder en de voorjaarsgeneratie van het boomblauwtje (vroeger aangeduid met vuilboomblauwtje!), maar anderzijds als nectarplant. De najaarsgeneratie van het boomblauwtje heeft overigens klimop als waardplant.

Overwinteren
De overwintering van vlindersoorten is een hoofdstuk apart. Sommige zoals de distelvlinder en atalanta trekken vr de winter weg naar warmere oorden (Spanje of zelfs Afrika) om zich daar voort te planten. Andere blijven in Nederland als volwassen vlinder, pop, rups of zelfs als eitje. De vlindersoorten die als volwassen vlinder in winterrust gaan, zie je in het voorjaar het eerst, bijvoorbeeld citroenvlinder, kleine vos, dagpauwoog en gehakkelde aurelia. Met uitzondering van de citroenvlinder zochten ze een beschut plekje, bijvoorbeeld een holle boom. De citroenvlinder blijft in afwachting van de lente in de vegetatie zitten. Door de warmte van de zon worden vlinders wakker. Een kwakkelwinter waarbij ze voortijdig uit hun winterslaap worden gehaald kost hen veel energie. Overigens zie je de laatste jaren in de winter wel atalantas, maar die zijn dan niet in winterrust gegaan. Rupsen van het bruin zandoogje overwinteren in het gras. Als een rups zich vlak voor de herfst verpopt, is dit ook het overwinteringstadium, zoals bij het klein koolwitje het geval is. Ook het oranjetipje en bont zandoogje overwinteren als pop. Sleedoornpage, bruine eikenpage en zwartsprietdikkopje zijn voorbeelden van overwintering als ei. Het is dan dus belangrijk de waardplanten met daarop de eitjes van deze soorten, niet in de winter te snoeien, omdat de eitjes dan verloren gaan.

Voortplanting
Het oranjetipje stond vervolgens model voor de uitleg over de levenscyclus van een dagvlinder. Deze vlinder behoort tot de witjes en het vrouwtje heeft anders dan de naam doet vermoeden gn oranje punten aan de voorvleugels, zoals het mannetje wel heeft. Een halve dag na de paring die zon 20-30 minuten duurt, kiest het vrouwtje zorgvuldig de planten voor de afzetting van haar eitjes. Dat doet ze op pinksterbloem, look-zonder-look en andere kruisbloemigen zoals judaspenning en damastbloem. Per plant wordt n eitje afgezet en alleen op planten die bij het uitkomen van de eitjes voldoende voedsel voor de rupsen te bieden hebben. Als de rupsen na anderhalf tot twee weken uit de eitjes komen, moeten er nog voldoende bloemen en daarna rijpende hauwtjes zijn. De rups gaat na twee tot drie weken op zoek naar een plek om te verpoppen. Dat is meestal een naburige boom of struik, waar de pop de winter doorbrengt om in het voorjaar te ontpoppen. In het popstadium wordt de rups een soort soep waaruit de vlinder ontstaat. Een net ontpopt vrouwtje wordt alweer snel bevrucht en daarna begint de cyclus opnieuw. Overigens leggen andere soorten veel eitjes bij elkaar op n plek. Leefgebieden Na de pauze zoomde Kars in op de verschillende biotopen van de Utrechtse Heuvelrug en bijbehorende vlinders. Zo zagen we oranjetipje, argusvlinder, die ook een zandoogje is, en koninginnepage. Deze laatste soort plant zich nu ook in Nederland voort en zet de eitjes af op allerlei schermbloemigen zoals peen, dille en kervel, waaruit later rupsen met oranje stippen ontstaan. Op vliegbasis Soesterberg zit de kommavlinder, een soort die als ei overwintert en waarvan de rups zich voedt met verschillende grassoorten. Ook het heideblauwtje komt op de Heuvelrug voor. Het overwintert eveneens als ei en voedselplanten van deze vlinder zijn rolklaver en andere klaversoorten, dopheide en brem. Als afsluiting van zijn boeiende verhaal stond Kars stil bij de mogelijkheden om vlinders naar je tuin te lokken. Eigenlijk was dat een soort samenvatting van het voorgaande, namelijk zorgen voor waard- en nectarplanten, bieden van warmte en beschutting en zorgen voor een veilige plek in de winter. Daarbij is het zaak in de winter afgestorven planten te laten staan en blad te laten liggen, want dit zijn ook overwinteringsplekken voor vlinders, poppen en rupsen. In het voorjaar is het daarom ook belangrijk om na het afknippen het materiaal niet direct in het compostvat te doen, maar eerst een dag te laten liggen, zodat de insecten eruit kunnen kruipen. Op www.vlinderstichting.nl en www.uwtuinvolvlinders.nl is veel informatie te vinden over vlindervriendelijk tuinieren. Hoewel de KNNV de afgelopen jaren wel vaker een lezing over vlinders heeft georganiseerd, hoorde ik tijdens de lezing van Kars toch allerlei nieuwe dingen over deze in mijn ogen fraaie insecten.

Tekst: Sophieke Nijhuis 8 mei 2014 

« terug naar het overzicht